Eveline Lubbers, zomer 1994
Geschreven voor een bundel over bedrijfsspionage, www.evel.com
Garbologie
Een alternatieve vorm van bedrijfsspionage
"Spionage in de Derde-Wereldbeweging", "Oud papier ging rechtstreeks naar beveiligingsbedrijf". Niet alleen ondernemingen kunnen slachtoffer worden van bedrijfsspionage, ook actiegroepen zijn doelwit. Dat werd duidelijk in de zomer van 1994. Een medewerker van een beveiligingsadviesbureau bleek niet alleen als vrijwilliger automatiserings-klusjes te doen bij een aantal belangenorganisaties. Hij haalde ook bij tientallen clubs het oud papier op. Kofferbakken vol verdwenen rechtstreeks naar het kantoor van Algemene Beveiligings Consultants in Vinkeveen. Deze 'garbologie' heeft vele mogelijkheden. Interne stukken, notulen, post en wat er zo meer in de prullenbak verdwijnt kan aangevuld met informatie uit openbare bronnen als eigen periodieken en jaarverslagen aan aardig beeld opleveren van de bezigheden en plannen van de Derde-Wereldbeweging en vredesgroepen. Materiaal genoeg om interessante risico-analyses te maken voor bedrijven die in de belangstelling staan van actiegroepen.
1.De waarde van informatie is toegenomen door de verscherpte concurrentieverhoudingen. Het is voor bedrijven
van groot belang zo vroeg mogelijk te weten wat de concurrent gaat doen. Er kunnen zich echter ook andere
problemen voordoen die zeer schadelijk zijn voor de marktpositie. Een onderneming kan onderwerp worden
van een boycotcampagne, of het mikpunt van aanslagen.
Wat te doen tegen acties? Allereerst: informatie verzamelen. Ondernemingen willen weten wat hen te wachten
staat. Over maatregelen die genomen worden is zeer weinig bekend. Is bedrijfsspionage al geen favoriet
onderwerp, de kwestie van het verzamelen van inlichtingen over politieke tegenstanders is zo mogelijk nog
moeilijker materie.1
Dit artikel probeert een overzicht te geven van wat bedrijven ondernemen die te maken krijgen met
actiegroepen. Blijven ze de toestand zo lang mogelijk negeren? De Universiteit Twente onderzocht hoe dat
komt. Of huren ze een extern onderzoeksbureau in? Shell liet in de Verenigde Staten een compleet
strategieplan ontwikkelen tegen de boycotcampagne, die ook in Nederland merkbaar was. Hoever gaat dat?
Van wat voor methodes bedienen dit soort particuliere onderzoekers zich? Voor sommige bedrijven lijkt het
aannemen van beveiligingsexperts een betere oplossing.
Tot slot wordt de markt voor politieke inlichtingen bekeken aan de hand van de ontmaskering van de oud
papierman. Verschillende actiegroepen constateerden dat interne stukken in verkeerde handen terecht waren
gekomen. Wat heeft dat voor consequenties? En weten cliënten van ABC niet veel meer dan dat ze laten
merken?
De laatste vraag is wat voor gevolgen dat kan hebben. In het buitenland gaan bedrijven voor Nederlandse
begrippen erg ver en komt het tot confrontaties met activisten, fysiek of anderzins.
Tegen de oud papierman en ABC in Vinkeveen zijn inmiddels juridische stappen ondernomen.
2.
De problematiek werd urgent toen het SHV-concern zich midden jaren tachtig geconfronteerd zag met een
serie geslaagde brandstichtingen bij filialen van de Makro. Het concern voelde zich uiteindelijk genoodzaakt
toe te geven aan de eisen van de RARA en trok zich terug uit Zuid Afrika.
Dat was aanleiding voor intensivering van het informeel overleg tussen bedrijfsleven en inlichtingendiensten.
De mogelijkheden voor een public-private-partnership werden afgetast, om documentatie over mogelijk
criminele en politieke dreigingen samen te brengen. De Stichting Maatschappij en Politie publiceerde naar
aanleiding van deze gedachtewisselingen in 1988 het boekje 'Wie keert het geweld in Nederland. Bedrijfsleven,
politie en (politiek) geweld'.
De angst bestond dat "wanneer de overheid onvoldoende inspeelt op de huidige ontwikkeling de kans groot
(is) dat het bedrijfsleven zich afkeert van de overheid en er een situatie ontstaat waarin ondernemers vaker het
heft in eigen hand nemen."
De nota waarschuwt met zoveel woorden tegen "allerlei bedrijfjes die zich 'specialiseren' in het verzamelen
van inlichtingen over personen en groepen ten behoeve van bedrijven".2
In de jaren daarna is van een meer gestructureerd inlichtingenoverleg niet veel terechtgekomen. De bestaande
contacten blijven informeel en hebben overwegend "een zeer incidenteel en sporadisch karakter".3 Een van de
belangrijkste redenen daarvoor is de aard van de werkzaamheden van de BVD: eerder geneigd informatie te
verzamelen dan te verstrekken. Dat levert niet alleen problemen op met concurrerende diensten -de CRI en de
recherche- maar ook met de buitenwacht. Bovendien staat het bedrijfsleven niet te springen om gezamelijk bij
de dienst op de thee te gaan. De vertrouwelijkheid van de betreffende informatie is daar debet aan.
Beveiligingsfunctionarissen van bedrijven houden liever vast aan de comfortabele positie van goede contacten
met oude bekenden. Als nadeel voeren de betrokkenen aan dat, omdat dit alles zich aan het zicht onttrekt,
soms de indruk ontstaat dat deze uitwisselingen het daglicht niet kunnen verdragen.4
De vraag is bovendien wat bedrijven doen met de informatie die ze via het old boys netwerk krijgen. Als er
daadwerkelijk acties in voorbereiding zijn is het meestal al te laat.
3.
Waarom zijn grote bedrijven steeds weer onderwerp van maatschappelijke actie? En waarom lijken ze niet in
staat daar iets aan te doen, ondanks het feit dat de onderhavige problematiek vaak al jarenlang speelt?
Aan de Universiteit Twente is onlangs een promotie-onderzoek afgesloten naar de betrekkingen tussen
maatschappij en onderneming. Maarten van Riemsdijk publiceerde zijn dissertatie onder de titel 'Actie of
Dialoog?'5
Als cases onderzocht hij de acties tegen Procter & Gamble, Nestlé en Shell en constateerde dat er een vast
patroon zit in de reacties van de bedrijven. De relevantie van maatschappelijke ontwikkelingen wordt zo lang
mogelijk ontkend en de problemen te lang genegeerd. De ondernemingen zijn steeds pas bereid tot een gesprek
als het te laat is.
"Ignorance gets them in trouble; arrogance keeps them there."6.
Van Riemsdijk concludeert (met Habermas) dat deze taktiek van negeren voortkomt uit een onvermogen te
communiceren op een ander niveau dan dat van het geld en economische belangen. In die zin is het wel
begrijpelijk dat ondernemingen pas reageren als er duidelijke eisen gesteld worden die het bedrijf financieel of
anderzins schade opleveren. Dat is taal die aanspreekt. Met de actievoerders valt in dat stadium echter al niet
meer te praten. De acties eindigen meestal pas als het bedrijf noodgedwongen het beleid aanpast in de richting
van de eisen, of -in het geval van Shell- als de omstandigheden zich zo drastisch wijzigen dat de eisen
vervallen.
Van Riemsdijk signaleert wel veranderingen die clashes tussen ondernemingen en de samenleving moeten
voorkomen. De meeste grote ondernemingen hebben tegenwoordig afdelingen public relations en public
affairs die proberen de omgeving in kaart te brengen.
In de praktijk blijken deze afdelingen echter ineffectief voor het tijdig signaleren van nieuwe ontwikkelingen.
Als er al iets ondernomen wordt dan is dat -overeenkomstig de wensen van de top- het zo mogelijk
neutraliseren van maatschappelijke weerstand.
Van Riemsdijk ziet meer in een tijdige aanpassing van het beleid. Volgens hem is de beste strategie om acties
te voorkomen dat ondernemingen in een vroegtijdig stadium problematische issues ter discussie stellen. In een
eerlijke open dialoog met alle maatschappelijk betrokkenen op initiatief van het bedrijfsleven.
"Na dialoog kan acceptatie en implementatie van controversiële of moeilijke produkten en produktieprocessen
makkelijker verlopen. Maatschappelijke weerstand wordt zo voorkomen".7
Helaas heeft de onderzoeker geen aandacht besteed aan de toenemende rol van beveilingsafdelingen bij grote
ondernemingen. Ook het belang van ingeschakelde externe adviesbureaus laat hij buiten beschouwing.
4.
Het bekendste voorbeeld van een multinational die zich door een gespecialiseerd bureau laat adviseren tegen
een internationale boycot, is dat van Shell en Pagan.
De koninklijke Shell liet in de Verenigde Staten een compleet strategieplan maken door het adviesbureau van
Rafael Pagan. Dit advies, het Neptunus-rapport8, kwam kort nadat het was aangeboden onbedoeld in de
openbaarheid en geeft een aardige inzage in het arsenaal dat ingezet kan worden tegen actievoerders.
Rafael Pagan hield zich als directeur van Nestlé bezig met de boycot tegen babymelkpoeder en bouwde in die
tijd een uitgebreid bestand op van groepen met invloed op bedrijven. Eenmaal voor zichzelf begonnen verleent
hij diensten aan Union Carbide na de ramp in Bophal, maar zijn eerste grote klant is Shell.
De problemen in Amerika worden voor Shell serieus als de mijnwerkersvakbond begin 1985 een
consumentenboycot uitroept. Aanleiding is een arbeidsconflict in de Rietspruitmijn -voor 50% eigendom van
Shell- in Zuid Afrika. De eis is aanvankelijk terugdraaiing van de ontslagen na een bloedig onderdrukte
staking. Al snel sluiten omvangrijke en overkoepelende vakbondsorganisaties zich bij de boycot aan en worden
contacten gelegd met actieve anti-apartheidsgroepen en verschillende Amerikaanse kerken. Grote beleggers
zoals pensioenfondsen maar ook universiteiten en steden blijken bereid hun 'aandelen in apartheid' te
verkopen. De organiserende groepen claimen zelfs dat eind november 1986 ruim 60 miljoen dollar uit Shell
was teruggetrokken door aandeelhouders die het niet eens waren met Shell's beleid in Zuid Afrika.9
In het Neptunus-rapport ontwikkelt Pagan een vijfjarenplan: de boycot moet geneutraliseerd en zo mogelijk
helemaal beëindigd worden. Het honderden pagina's dikke stuk beslaat het hele spectrum van mogelijke
tegenstanders; in het jargon van een spionagedienst wordt een compleet intelligence plan ontvouwen. De
media, het onderwijs, zelfs Shell-medewerkers die lid zijn van een politieke organisatie moeten
geïnventariseerd en benaderd worden.
Een speciale intelligence functionary achterhaalde in Europa de taktieken van alle anti-Shell groepen en
analyseerde hun politieke oriëntatie en eventuele invloed. Verschillende Nederlandse organisaties zoals het
KZA, KAIROS, Shipping Research Bureau en Osaci10 werden uitgebreid ondervraagd over hun activiteiten en
de financiering ervan en over hun standpunten en contacten. De interviews werden gedaan door iemand die
zich uitgaf voor journalist van de International Barometer, een blad met als doel het nader tot elkaar brengen
van actiegroepen en bedrijfsleven. Zijn naam was Alan Fuehrer, voor zijn pensionering was hij 'in
diplomatieke dienst'. De gesprekken werden opgenomen maar nooit gepubliceerd, de banden kwamen bij Shell
te liggen.11
Pagan adviseert Shell vooral in gesprek te blijven met de invloedrijke kerkelijke groeperingen, die -zeker in
Amerika- gezien worden als de kritische massa. Doel is radicale leiders te isoleren van de grote meerderheid
van de achterban, fatsoenlijke mensen die oprecht bezorgd zijn. Pagan in een lezing12: "We moeten de
activisten ontdoen van het morele gezag dat ze ontlenen aan hun bondgenoten, religieuze organisaties."
Kerkleiders, geselecteerd op integriteit en bereidheid mee te werken, krijgen vertrouwelijke documenten
voorgelegd om zo overtuigd te raken van de oprechte bedoelingen van de onderneming. De eigen werknemers
worden gezien als een bron van informatie en verwervers van steun. Door ze intensief te betrekken bij het
besluitvormingsproces van het bedrijf, verzeker je je volgens Pagan van hun medewerking en trouw aan de
zaak.
Om de aandacht van de boycotactie af te leiden krijgt Shell South Africa de raad te wijzen op wat het bedrijf
ter plaatse concreet doet tégen apartheid. Internationaal moet de aandacht af van de actuele situatie door de
nadruk te leggen op de problematiek van Zuid Afrika in het post-apartheid tijdperk. Een conferentie over dat
onderwerp in september 1987 -toegang 650 dollar per persoon- mislukte gedeeltelijk toen bleek dat Shell
erachter zat. Verschillende kerkleiders trokken zich terug omdat Pagan-zelf en iemand van Mobil Oil zitting
hadden in het comité van aanbeveling.13
Het blijft niet altijd bij adviezen. Raphael Pagan stond ook aan de wieg van een organisatie van Amerikaanse
zwarte geestelijken die het niet eens zijn met sancties tegen Zuid Afrika. Centrale stelling van deze 'Coalitie
voor Zuidelijk Afrika' was dat de zwarten in Zuid-Afrika het zwaarst getroffen worden als bedrijven hun
investeringen zouden terugtrekken. Het COSA kreeg gratis onderdak en faciliteiten in het kantoorpand van
Pagan, het startkapitaal -1,6 miljoen gulden- kwam o.a. van Mobil Oil en Johnson & Johnson. Na het bekend
worden van zijn betrokkenheid legde Pagan zijn functie als betaald adviseur van COSA neer, om de indruk te
vermijden dat de organisatie een speelbal van het bedrijfsleven was.14
Shell Nederland heeft zich altijd gedistantieerd van het Neptunus-rapport. Het rapport, inderdaad gemaakt in
opdracht van Shell Amerika, is echter blijkens de omslag bedoeld "voor gebruik in de Verenigde Staten en
voor de ontwikkeling van een wereldwijde coördinatie binnen de Royal Dutch Shell Group." Bovendien staat
vast dat de top van Pagan International op het hoofdkantoor in Den Haag is geweest. Ook heeft president-directeur L.C. van Wachem over dit document overlegd met Pagan in Houston, Texas.15
Op de dag dat het bestaan van het Neptunusrapport onthuld wordt, in oktober 1987, voert Shell Nederland een
eerste gesprek met kerkelijk leiders. Alhoewel dit precies past in de lijn van het advies, blijft Shell ontkennen
dat Pagan erachter zit. "Shell Nederland heeft absoluut geen behoefte aan zo'n rapport" zegt voorlichter Van
Rooijen tegen Hervormd Nederland, "Wij doen het eerlijk en met open vizier". Onbedoeld geeft Van Rooijen
met deze uitspraak een oordeel over de handelwijze van zijn Amerikaanse zuster Shell Oil concludeert het
weekblad fijntjes.16
5.
Een ander bedrijf dat in het gat op de markt springt is het internationaal gerespecteerde Control Risks, bekend
door hun specialisme onderhandelen bij gijzelingszaken.
Halverwege de jaren tachtig lijken actiegroepen naast oorlog, terrorisme en guerrilla een mogelijk gevaar voor
het bedrijfsleven. In Groot Brittannië doet Control Risks de nodige ervaring op met het in kaart brengen van
het radicale Animal Liberation Front. Als in 1986 als gevolg van toenemende politieke en sociale onrust een
ware exodus van grote westerse ondernemingen uit Zuid Afrika begint, verschuift de focus van de risico-analyse.
Control Risks richt een geheim genootschap op om onderzoek te doen naar de "potentiële bedreiging van de
veiligheid" door de anti-apartheidsbeweging in Europa. Vijfduizend gulden moet het lidmaatschap kosten
volgens de zeer vertrouwelijke prospectus die het veiligheidsbedrijf in 1986 toestuurde aan eventuele klanten.
Elke anti-apartheidsgroep in Europa zal worden onderzocht, een aantal organisaties in Nederland staan
expliciet vermeld. Niet alleen onderlinge banden en relaties met sympathiserende bewegingen, maar ook
contacten met politieke partijen en de banden met de bevrijdingsbewegingen in Zuidelijk Afrika worden
nagegaan. En niet te vergeten: "de mogelijkheid dat andere militante of terroristische organisaties de Zuidafrikaanse kwestie exploiteren door de anti-apartheidsbeweging te infiltreren of via gewelddadige actie uit
solidariteit".17
Dat voor dit onderzoek gebruik zou worden gemaakt van controversiële methodes of van informatie afkomstig
van inlichtingendiensten ontkent het bedrijf met kracht. De staf van Control Risks bestond en bestaat echter
voornamelijk uit mensen afkomstig van hoge posten bij de politie en inlichtingendiensten. Directeur
Onderzoek is Peter Janke, die al sinds de jaren zeventig zeer innige contacten met inlichtingendiensten uit
Rhodesië en Zuid Afrika onderhoudt. De woordvoerder van Control Risks, Christopher Grose, een
voormalige majoor van de Britse anti-terreureenheid SAS, ontkent tegenover de correspondent van NRC
Handelsblad dat het veiligheidsbedrijf de anti-apartheidsbewegingen bespioneert. "Wij zijn niet bezig met een
infiltratie-operatie om via illegale, immorele of onethische wegen aan informatie te komen." Grose houdt vol
dat inlichtingen uit alle mogelijke open bronnen komen: "Wij ontvangen geen geheime informatie uit officiële
bronnen en willen dat ook niet. We zijn een informatiedienst, geen geheime inlichtingendienst". Hij moet
echter toegeven dat mensen van Control Risks zich bij het maken van interviews met betrokkenen niet bekend
maken als medewerkers aan dit supergeheime project.18
De Anti Apartheidsbeweging Nederland werd niet rechtstreeks benaderd om informatie; een medewerker
stuurde Control Risks wel een exemplaar van het AABN-jaarverslag mét een vergelijkbaar prijskaartje. Het
materiaal kwam per kerende post retour met een kort briefje dat Control Risks al over alle relevantie
informatie beschikte.....19
6.
Bij de maatregelen die bedrijven nemen tegen actievoerders spelen dezelfde discussies als bij bedrijfsspionage.
Rechercheadviesbureaus die in opdracht onderzoek verrichten bedienen zich van methodes die
inlichtingendiensten niet vreemd zijn. Aangewende taktieken spelen zich af op het grensgebied van het
juridisch toelaatbare. Particuliere onderzoekers hebben connecties met politie of geheime diensten die het
daglicht maar nauwelijks kunnen verdragen, veel inlichtingen worden gewonnen via het old boys network.
Maar voor lang niet alle ondernemingen is het noodzakelijk buitenstaanders in te schakelen. Van sommigen
bedrijven is bekend dat ze zelf de nodige maatregelen namen. Shell Nederland heeft altijd gezegd geen gebruik
te maken van de diensten van Raphael Pagan of van Control Risks. Dat dat niet nodig was valt te verklaren uit
de bezetting van de eigen veiligheidsdienst. Voor het in kaart brengen van de omvang en kracht van de
actiegroepen doet Shell begin jaren tachtig een gouden greep. Chef beveiliging werd het voormalig hoofd van
de Plaatselijke Inlichtingen Dienst Amsterdam, E. van de Veer. Hij maakt volop gebruik van zijn voormalige
collega's bij de overheid; voor hem zijn competentiegeschillen tussen de BVD en de CRI geen probleem. Van
de Veer: "Ik bel ze allebei (..) Ik weet dat er weleens problemen zijn maar ik omzeil die door de twee verhalen
te vergelijken voor onze analyses." Hij wijst erop dat dreigingen die politiek gezien geen hoge prioriteit
hebben, commercieel een enorme impact kunnen hebben: "De inschatting door de BVD van economische en
commerciële risico's is niet altijd aanwezig. Wij kregen een telefoontje dat een bruggetje in de Botlek zou
worden geblokkeerd. Het belang daarvan werd onvoldoende ingezien. Vrijwel al het olietransport over de weg
moet daar overheen. Binnen vier uur zou Schiphol zonder kerosine staan. De internationale blamage en
commerciële schade zou gigantisch zijn (...) Wij hebben duidelijk een opvoedkundige en voorlichtende functie
in deze".20
Dat ook Shell Nederland zich niet altijd van even nette methodes bedient, blijkt uit het volgende verhaal.
Lange tijd maakte het bedrijf zich niet al te druk over de acties. De omslag komt als steeds meer gemeentes
zich uitspreken tegen Shell21. In 1986 is er in ruim tachtig gemeentes een anti-apartheidsmotie aangenomen. In
dezelfde tijd doet het Instituut voor Psychologisch Markt Onderzoek een opinieonderzoek over de
aanwezigheid van het Nederlandse bedrijfsleven in Zuid-Afrika. Enqueteurs vragen gemeenteraadsleden naar
hun mening over het terugtrekken van het bedrijfsleven en de consequenties die dat zou hebben. Door de
vragen wordt de suggestie gewekt dat het boycotten van Shell-produkten door gemeentes wel eens illegaal zou
kunnen zijn. Volgens de begeleidende brief bij de enquête is de opdrachtgever voor het onderzoek 'een groot
bedrijf'. Dat het Shell is krijgen de ondervraagden niet te horen.22 Een fraaie manier om erachter te komen of
de boycot in Nederland zal aanslaan.
Ook Holiday Inn Amsterdam richtte een eigen afdeling beveiliging op. Robin van Doorn, chef security: "Het
Holiday Inn Crowne Plaza-hotel in Amsterdam is gebouwd op het terrein van een van de laatste grote
krakersbolwerken uit de jaren tachtig. Na de ontruiming zworen de krakers het gebouw onmiddellijk weer te
bezetten zodra het opgeleverd zou worden als hotel." Buiten de voor de hand liggende maatregelen als
bewakers, een meldkamer en technische surveillance in en om het hotel werden er ook inlichtingen verzameld.
Van Doorn: "Buiten de krakers is ook de anti-apartheidsbeweging een bedreiging geweest voor het hotel.
Holiday Inn is immers sterk vertegenwoordigd in Zuid Afrika. De beveiligingsafdeling heeft veel tijd en
energie besteed aan het vergaren van informatie over de plannen en activiteiten van deze beweging".23
Kleinere ondernemers zetten incidenteel particuliere detectives in. Recherchebureau Het Oosten werd in 1993
ingeschakeld door een groep Arnhemse autodealers die zich groen en geel ergerden aan mensen die billboards
met autoreclames bekladden. P. van Elk, directeur van dit eenmansbedrijf: "De politie wist ervan, maar die
kan niet nachtenlang gaan posten. Trouwens, ik ook niet, dus heb ik geprobeerd iemand binnen die groep te
krijgen. En dat lukte." De politie van Arnhem kreeg een 'heterdaadje' op een presenteerblaadje aangeboden,
maar niet nadat Van Elk foto's liet maken van de kladactie. Op basis van dat bewijsmateriaal zijn enkele leden
van de groep 'Ga toch fietsen' door de rechter veroordeeld. De detective werkt alleen in opdracht aan de
oplossing van een probleem: "Voor het systematisch verzamelen van informatie over dit soort groepen met je
bij een ander zijn".24
7.
De vraag is in hoeverre er tegenwoordig nog een markt is voor politieke inlichtingen. De actiebeweging van
de jaren tachtig is over haar hoogtepunt heen, het tij in Zuid Afrika lijkt ten goede gekeerd en multinationals
zijn in rustiger vaarwater beland.
Het gaat heden ten dage niet meer om grimmige anti-apartheidsstrijd of grote boycotcampagnes, hardere acties
of brandaanslagen. Maar bedrijven kunnen ook op subtielere manier de behoefte hebben op de hoogte te
blijven van wat er speelt. Het kan om allerlei redenen van belang zijn de plannen van de betreffende groepen te kennen om er tijdig op
in te kunnen spelen.
Een van de weinigen die er openlijk voor uitkomt zich bezig te houden met het verzamelen van politieke
inlichtingen is Peter Siebelt uit Vinkeveen. Zijn bedrijf Algemene Beveiligings Consultants (ABC) kwam in de
zomer van 1994 nogal opvallend in het nieuws. Een van zijn medewerkers, Paul Peter Oosterbeek, bleek onder
valse naam te infiltreren in een aantal belangengroepen. 'Marcel Paul Knotter' haalde oud papier op bij
tientallen organisaties in Amsterdam en Utrecht, waaronder Pax Christi en de Parlementariërs tegen
Apartheidclub van Jan Nico Scholten, Awepa. Hij reed daarmee niet naar de school in de Bijlmer waarvoor het
bedoeld was, maar bracht het naar Vinkeveen.25 Op dat adres zit achter een hoge muur, videocamera's en een
hek met ijzeren punten het kantoor van ABC.
Siebelt begon zijn rechercheadviesbureau in 1986, de tijd van de Rara-aanslagen en de Shell-acties.
Nederlandse bedrijven met belangen in Zuid Afrika willen weten wat hen te wachten staat. Het aanbieden van
interne informatie of risico-analyses op basis daarvan lijkt een lucratieve business.
De directeur van ABC is geen onbekende. Begin jaren tachtig was hij, als eigenaar van de bewakingsdienst
Siebelt Beveiliging in de Amsterdamse Bijlmer, een veel geciteerd 'bekend veiligheidsadviseur'. Interviews uit
de begintijd van ABC laten weinig aan duidelijkheid te wensen over. Discretie was toen nog niet zo essentieel.
Tegen Het Parool zei Siebelt in 1986: "Je hebt natuurlijk organisaties die door beleggingen in en contacten met
bepaalde landen in de belangstelling staan van terroristische groepen. (..) Het kan ook zijn dat een bedrijf ten
onrechte denkt geen risico te lopen, maar intussen staan ze er niet bij stil dat ze geld hebben geïnvesteerd in
een omstreden project in Zuid Afrika of Israël, om maar iets te noemen. Dan staan ze opeens wèl op een lijst.
Ik denk dat bedrijven zich daarvan steeds meer bewust moeten zijn en in het uiterste geval zal zo'n investering
ongedaan moeten worden gemaakt."
Siebelt waarschuwde een half jaar later in een artikel over bedrijfsspionage voor kopietjes die in de prullenbak
terecht komen. Hij komt met het verhaal van "mensen, soms zelfs de directeur, die 's avonds in de
containerbak van de concurrent kruipen om gegevens te pakken te krijgen".26
In zijn begintijd als bewaker deed hij veel ervaring op met stakingen en bood zich aan om de directie te
beveiligen. Hij was de -bij stakers gehate- controleman van het management bij Ogem voor
bedrijfsbezettingen; hij waarschuwde Boskalis toen zich daar vergelijkbare problemen voordeden.27 Siebelt
ging actief de boer op met zijn diensten. Paul Oosterbeek legde in 1990 contact met elite-onderzoeker Jos van
Hezewijk in Uden. Hij wist de onderzoeker een copie van het bestand 'Rijke mensen en hun dubbelfuncties' af
te troggelen. Voor ABC bood dit uitstekende mogelijkheden ter uitbreiding van het klantenbestand: een deel
van dit select gezelschap had ongetwijfeld behoefte aan een regelmatige risico-analyse.
Omdat de directeur de laatste jaren minder geneigd is tot het geven van interviews, is de kijk op de afnemers
van ABC beperkt. Enig inzicht biedt de carrière van Paul Oosterbeek. Hij begon zijn activiteiten acht jaar
geleden als vrijwilliger bij Osaci, een kerkelijke organisatie die onderzoek doet naar investeringen in de Derde
Wereld. Deze 'Marcel Paul Knotter' deed zich voor als onderzoeker met een interessegebied dat varieerde van
bedrijven met belangen in Zuid Afrika tot extreem rechtse connecties met apartheid. Zijn persoonlijke hobby
was naar believen invloedrijke families (de Brenninkmeijers, de Fenteners) of machtige multinationals
(Unilever, Van Leer) - maar zelf leverde hij nooit veel informatie. Bij vergaderingen van het 'Schone Kleren
Overleg' over C&A, illegale naaiateliers en lage lonenlanden leerde hij andere Derde-wereldorganisaties
kennen. 'Marcel Knotter' kreeg ingangen bij onderzoeksorganisaties die zich bezig houden met het
internationale bedrijfsleven, maar ook bij Kairos (Christenen tegen Apartheid) en Pax Christi in Utrecht.
Had eerst vooral Zuid Afrika zijn interesse, de laatste tijd toonde Paul Oosterbeek meer belangstelling voor
milieuzaken. Begin 1994 probeerde hij -zonder succes overigens- een campagneleider van Greenpeace, die hij
nog kent via Kairos, te verleiden tot een lunchafspraak. Greenpeace startte onlangs de nieuwe campagne tegen
de chloorindustrie met acties tegen Akzo-chemie.
8.
Wat doen bedrijven met informatie over de bezigheden en plannen van dit soort tegenstanders? Dat is voor een
deel af te leiden uit het relaas van clubs die constateerden dat interne stukken in de openbaarheid kwamen.
De waarnemersdelegatie van de Parlementariërs tegen Apartheid (Awepa), die de verkiezingen in Zuid Afrika
ging volgen, werd dit voorjaar door de Telegraaf valselijk beschuldigd van misbruik van subsidies. "Zuid
Afrika-missie ernstig in opspraak. Echtgenotes reizen mee op kosten van de gemeenschap." Blijkens een hetze-achtig artikel beschikte het ochtendblad over correspondentie tussen Awepa-president Jan Nico Scholten en
Livi, directeur van de afdeling Ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie. Bovendien heeft de
schrijver van het stuk kennelijk inzage in voorlopige versies van deelnemerslijsten. Een proces tegen de
Telegraaf leverde een rectificatie op -van postzegelformaat natuurlijk- maar geen zicht op de oorzaak van het
lek. Er kwam een papierversnipperaar en een nieuw sleutelbeleid. De medewerkers van Awepa begonnen
elkaar al scheef aan te kijken. Bij de eerste geruchten over het oud papier realiseerden de Parlementariërs tegen
Apartheid zich dat ze de duivel zelf in huis hadden gehaald. Jan Nico Scholten is al jaren een gewild
slachtoffer van haatcampagnes in de rechtse pers. Dat hij het basismateriaal daarvoor al de tijd zelf lijkt te
hebben aangeleverd gaf een grote schok.
Awepa is niet het enige slachtoffer van de Telegraaf. Via verslaggever Joost de Haas zijn meer documenten
van de oud- papierman op de redactieburelen terechtgekomen. Ook een actiegroep tegen de Golfoorlog die
gebruik maakt van het pand van de Filippijnengroep Nederland vond haar notulen terug in de krant. De
fondsenorganisatie X-Y overkwam hetzelfde.
Op basis van intern materiaal citeert de Telegraaf 'woordvoerders' zonder ze gesproken te hebben. De krant
gebruikt uit verband gerukte details om stemming te maken tegen linkse groepen.28
De gevolgen laten zich raden. De kans bestaat dat de clubs in kwestie minder serieus genomen worden, en op
basis van dit soort desinformatie moeilijkheden krijgen met bijvoorbeeld subsidiegevers. Wat uiteindelijk het
actie-rendement kan verkleinen.
Een iets minder groffe manier om actiegroepen het gras voor de voeten weg te maaien is de volgende.
Neem de farmaceutische industrie of de producenten van babyvoeding. Al sinds jaar en dag worden hun
(agressieve) verkoopstrategieën in de derde wereld kritisch gevolgd door samenwerkende monitoring groups
uit diverse westerse landen. Deze groepen overleggen niet alleen onderling, er wordt ook regelmatig op hoog
niveau gesproken met het bedrijfsleven. Het is voorgekomen dat op dit soort bijeenkomsten
vertegenwoordigers van de industrie onverwacht interne stukken als troef uitspeelden. Dit overkwam een
aantal clubs die op de lijst van Paul Oosterbeek stonden. Er komt een subsidieverzoek op tafel of een nog niet
gepubliceerd zwartboek. Om aan te tonen dat de groepen geen open kaart spelen, of zich wel degelijk schuldig
maken aan company campaigning.
De andere kant voelt zich op zijn minst een moment uit het veld geslagen. Overrompeld en geconfronteerd met
een informatielek.
Bij de zoektocht naar de oorzaak van het lek werd aan één ding niet gedacht. Dat was het oud papier. Allerlei
andere mogelijkheden passeerden de revue, wat zorgde voor de nodige onrust. Uiteindelijk bood de onthulling
van de ware identiteit van de oud-papierman een sluitende verklaring. Het was dus niet een afgetapte faxlijn;
iedere fax die binnenkomt wordt gecopieerd op normaal papier, het origineel gaat bij het oud papier. Dozen
vol foute fotocopiën en afgekeurde uitdraaien werden volkomen vrijwillig afgegeven, in de veronderstelling
dat het voor een goed doel was.29
Opvallend is de reactie van de betrokken clubs op deze alternatieve vorm van bedrijfsspionage. Die kenmerkt
zich door terughoudendheid. Liever dan publiekelijk kond te doen van verontwaardiging over dit soort
praktijken, hult men zich in stilzwijgen. Om op speaking terms te blijven met de betrokken bedrijven of niet
teveel opzien te baren in verband met lopend onderzoek of een belangrijke subsidieaanvraag. De geleden
schade wordt ontkend of -na de aanvankelijke schrik- weer zoveel mogelijk naar beneden gepraat.
Een vergelijking met reactie problemen in het 'echte' bedrijfsleven dringt zich op. Om het met de Amerikaan
Toffler maar eens wat plastisch uit te drukken: "Slachtoffer zijn van bedrijfsspionage is zoiets als
geslachtsziekte hebben. Velen kunnen ermee besmet zijn, maar niemand wi |